home
6 oktober 2021

Opvoedcoach, vertel eens over de Week van de Opvoeding

Vorige week was de Week van de Opvoeding. Met als thema ‘Vertel eens…’. Van de opvoedcoach kreeg u in de Flexkids Ouderapp een boekje met allerlei tips die passen bij het thema. Eén tip delen we hier ook met u. Over spraak en taal.

Spraak en taal

Kinderen hebben wel 100 talen om iets te vertellen. De gesproken en geschreven taal is er slechts één van. In onze maatschappij is deze taal wel een heel belangrijke manier om je te uiten. De eerste vier jaar is uw kind het meest gevoelig voor het leren van talen. Het brein staat als het ware te popelen om met klanken, woorden, zinnen en interactie aan de slag te gaan. Aan u als ouder de eer om hier goed op in te spelen.

De ontwikkeling

In het eerste levensjaar gebruikt een baby nog nauwelijks woorden. Baby’s communiceren vooral met lichaamstaal. Door te lachen, te reiken en te wijzen. Daarnaast gaan ze hun stem oefenen door klanken te produceren. Hun begrip van taal neemt steeds verder toe. Bij een dreumes merkt u al een enorme toename van het aantal gesproken woorden. Dat verloopt van een- naar meer-woord¬ zinnen. Peuters krijgen een steeds grotere woordenschat en gaan de regels van de taal toepassen. Door hun natuurlijke interesse en nieuwsgierigheid in de wereld om zich heen kunnen kinderen veel leren. Daarvoor is een gevarieerd taalaanbod. Waarbij ze veel taal horen én de ruimte krijgen om te praten, vertellen en zingen. Kortom: de taal te oefenen.

Tips:

• Volg de interesse van uw kind. Waar kijkt het naar? Benoem dat en praat daar samen over. Reageer op wat uw kind zegt (of doet) en op geluiden en gebaren. Door in te gaan op wat uw kind wil vertellen, ook als het eigenlijk even niet uitkomt, ervaart uw kind dat er naar haar of hem wordt geluisterd.
• Wanneer u iets vertelt of benoemt, las dan korte stiltes in. Zo kan uw kind het verwerken en reageren. Ook leert uw kind dat het voeren van een gesprekje ‘heen-en-weer’ gaat.
• Probeer verschillende reacties te geven. Soms kunt u herhalen wat uw kind zegt. Op een ander moment kunt u een vraag stellen of zelf iets aanvullends vertellen. Door die afwisseling wordt het taalaanbod gevarieerder en daardoor rijker.
• Wanneer u vragen stelt, wissel daar dan ook in af. Bijvoorbeeld aanwijsvragen, ja/nee-vragen, wie/wat/waar-vragen en vraag ook eens naar eigen ervaringen. ‘Heb je dat al eens gezien?’ of ‘Vind je dat mooi?’.
• Kijk goed naar wat uw kind al wel en wat nog niet begrijpt. Dat is bepalend voor uw taalgebruik. Wanneer u afwisselt en opbouwt in moeilijkheid, zal uw kind zijn spraak en taal telkens een stukje verder ontwikkelen.
• Zorg dat u naast te praten met uw kind, ook veel samen leest en zingt. Benoem de plaatjes en stel vragen. Of laat uw kind zelf vertellen bij het boek. Zo worden meerdere hersengebieden geprikkeld.
• Voer gesprekjes tijdens alle interactiemomenten. Zo zorgt u voor veel taalaanbod en blijft u in contact. Dat stimuleert ook de sociaal-emotionele ontwikkeling van uw kind.